Een shotje inspiratie.

Ik zat even in een dipje. Mislukte studie, weinig motivatie, veel te veel regenbuien als ik wilde fietsen en bovenal weinig inspiratie. Ik heb meer dagen in mijn bed gespendeerd dan ik toe wil geven en hoewel ik echt wel dingen gedaan heb, zijn ze memorabel niet te noemen. En aan de ene kant vind ik dat een dikke prima, want dat mag wel eens, in een dipje zitten. Maar nu ben ik er klaar mee. Ik heb namelijk een hekel aan dipjes (de mentale toestand, het spul waar je je eten in doopt én aan het woord opzich), en deze week was zo leuk, jongens en meisjes. Zo ontzettend leuk dat alles weer anders is.

Zo zat ik afgelopen zaterdagavond aan een hele grote mooi gedekte tafel met negentien fantastische mensen die niet alleen toevallig hetzelfde adres hebben als ik, maar ik ook zie als toevallig heel dicht bij elkaar wonende vrienden. Binnenkort is er weer een hospiteeravond (mocht je nog in het leukste studentenhuis van Leiden willen wonen: voel je hierbij aangesproken en kom langs) en ik kan alleen maar denken dat de nieuweling zo blij mag zijn met zoveel leuke huisgenootjes als er in mijn huis wonen. Elke keer als ik de eindeloze trappen in het trappenhuis beklim, door de rood beklede gangen strompel en des avonds praatjes maak terwijl ik ‘spannende thee’ drink, realiseer ik mij weer hoe blij ik van dit alles word en hoe fijn het is dat ik hier mag wonen. Dankjewel liefste huisgenootjes. Ik hoop dat jullie zelf ook doorhebben hoe leuk jullie zijn.

Blij ben ik ook met de leukste Stefaniemet wie ik enorm heb genoten donderdag op de Dag van de Literatuur. Ik kan me niet voorstellen hoe ik zonder mensen om me heen kon die mijn liefde voor het geschreven woord (zoals ze dat ze mooi zeggen) met mij delen. We hebben rondgelopen met prachtige shirts, eveneens prachtige schrijvers en gratis borrelhapjes en drankjes. Dit alles werd gevolgd door de mooiste treinreis van mijn leven, naar wijn nasmakende Julia’s en om half 8 in bed willen liggen. Dol op jou, Stefanie.

Op deze dag gaf ik overigens voor het eerst publiekelijk toe een schrijversambitie te hebben en ik wil het ook niet meer negeren of ontkennen. Ik wil dat er ooit een boekenweek komt waarin mijn gebonden hersenspinsel als een geschenk wordt beschouwd. Het enige wat me tegenstaat is mijn eigen zelfkritiek.

Daar kwam Philip Huff opeens het podium op donderdag. Naast het feit dat Philip Huff gewoon een hele mooie man is, heeft hij ook nog inhoud en een goed verhaal te vertellen. Hij leest nooit zijn eigen werk terug omdat hij nooit tevreden is met wat hij geschreven heeft. Thijs de Boer, een andere schrijver, vertelde dat hij zich bij het schrijven continu afvraagt waar hij nou eigenlijk mee bezig is en waar het verhaal naartoe moet. Normaal, vond hij het. Je bent immers schrijver.

Mag ik ook? Ik ben door alle gebeurtenissen de laatste weken wat harder voor mezelf geworden. Wat kritischer, zo te zeggen. Soms ietsjes té. Het is oneerlijk om me waardeloos te voelen, alleen omdat er wat dingen iets meer mis gingen dan goed. Je moet jezelf niet onnodig pijn doen door te ver in te zoomen op je fouten. Wegwuiven en weer door. Dat boek gaat zichzelf niet schrijven.

Vijftig Tinten Ergernis

Egocentrisch, dat ben ik soms. Ik heb de neiging om teveel op te gaan in mijn eigen wereld, en om de medemens die niks met die wereld te maken lijkt te hebben even volledig te vergeten. Dat gaat me best goed af en dat bevalt ook wel, tot ik op vrijdagmiddag gedwongen word om met die vergeten medemens om te gaan. Afgelopen vrijdag stond ik in de plensregen te wachten bij een bushokje in Leiden, zoals ik daar elke vrijdagmiddag sta, en zoals ik daar ook elke vrijdagmiddag nét de bus lijk te missen waardoor ik er twintig minuten als een zielig hoopje mens voor me uit zit te staren. Normaal gesproken besteed ik deze tijd met de diepste filosofische gedachtes of eeuwige zelfreflectie, maar vandaag word ik gestoord door twee gedaantes die tot de nok toe gevuld lijken te zijn met lusthormonen.

flexa_inhaker_vijftig_tinten_grijs

Vijftig Tinten Grijs. Kutgrapje. Sorry.

Seksualiteit is geen taboe meer zoals vroeger. Sterker nog, het is tegenwoordig ‘in’ om er zoveel mogelijk over te praten, schrijven (oh kut, nou doe ik het ook), lezen én kijken. Wie niet kan meepraten over Vijftig Tinten Grijs heeft het deze week zwaar gehad. Duizenden mensen gingen je immers voor, het internet krijgt er geen genoeg van en de eerste zelf-plezierende kijkers (vrouwen) zijn de bioscoopzalen al uitgezet. En ik vind het allemaal prima, en fijn voor de mensheid, tevens leuk voor de mannen en goed voor het zelfvertrouwen voor vrouwen dat deze ontwikkelingen plaatsvinden. Ik heb maar één voorwaarde: houd dit privé met je partner in je slaapkamer. Val andere mensen er niet mee lastig, praat niet alsof je SM hebt uitgevonden als je één paar pluizige handboeien bij de Action hebt gekocht voor €0,99 en doe ook zeker niet aan publiekelijk voorspel als je op de bus staat te wachten naast me. Alsjeblieft zeg. Ik mag dan wel de fysieke gewaarwording van de a-romantiek zijn, ik kan mensen die gelukkig met elkaar zijn echt wel waarderen en schattig vinden. Alleen niet op vrijdagmiddag half 4, als ik net de bus gemist heb, in de regen, tien centimeter naast me.

De lichamen van de twee jongvolwassenen zijn verstrengeld, hun handen strelen elkaars gezicht continu en de keren dat ik per ongeluk hun kant op kijk mag ik zelfs ongevraagd genieten van stukjes tong. Ik ben gevangen in een schouwspel van puur voorspel. Tussen het zoenen door worden er agressief ritsen van jassen opengetrokken en vangt het meisje haar bilpartij verscheidene keren de klappen op van de hand van haar wellustige vriend. En ik sta erbij, en kijk ernaar. Met opgetrokken wenkbrauw. Vijftig Tinten Ergernis. En je hoeft er geeneens voor naar de bioscoop.

Alsof het niets is.

Op mijn levensteller staat pas negentien jaar. Jong. ‘In de bloei van het leven’, toch? Het zal. Best een prestatie hoeveel dingen er anders kunnen lopen dan je ooit had gedacht, zelfs al in negentien jaar. Of loopt alles in zekere zin altijd iets anders dan je denkt?

Toen ik in 2013 telefonisch te horen kreeg dat ik had gefaald voor mijn centraal examen, was ik een tijdje van de leg. Ik had immers nog nooit echt falen meegemaakt. Tuurlijk, er waren momenten waarop ik verre van de beste was, maar ik kwam er altijd mee weg. Tot toen, die bewuste donderdagmiddag. Ik drukte het rode knopje in op de huistelefoon en zat een tijd wat beduusd voor me uit te staren. Ik werd een ander mens, een andere versie van mijzelf. Ik had gefaald. Kelly kon ook falen, leerde ik. En Kelly faalt nog steeds wel eens.

Vorige week kreeg ik een mailtje van de studiecoördinator. Onderwerp: NEG BSA. Hoewel ik taalwetenschappelijk gezien liever volzinnen lees dan een rijtje afkortingen, kwam deze boodschap luid en duidelijk binnen. ‘Kelly, je hebt gefaald’ was wederom de impliciete boodschap die tussen de leed verzachtende zinnen te lezen was. Dit keer zat ik er iets meer mee dan anderhalf jaar geleden. Hoe kon dit gebeuren? Ik had het naar mijn zin, leerde fantastische mensen kennen, leefde een fantastisch studentenleven (oké, dit is op zich misschien wel een deel van de reden) en was er van overtuigd dat deze studie dé studie voor mij was.

Een dag na het mailtje liep ik betwijfeld het kantoortje van mijn studiecoördinator binnen. Ik verliet het kantoor een half uur later, gevuld met twijfels, als was ik, eerlijk is eerlijk, ook opgelucht. Taalwetenschap is voor mij niet de juiste sleutel tot de poort van het toekomstige succes (schud ik zo even uit mijn mouw, jongens en meisjes). Er is teveel wat mij tegenstaat en ik heb dan ook besloten om dit niet door te zetten. Zo, dat is er uit.

Van de berichten van een paar van mijn studiegenootjes, die inmiddels het kader van ‘studiegenootjes’ allang ontgroeid zijn en ik volwaardig hele goede vrienden kan noemen, werd zelfs ik emotioneel. Wat ben ik gezegend met deze fantastische mensen om mij heen waardoor ik mij zo vreselijk snel thuis voelde in Leiden. Jullie zijn allemaal toppers, en in het bijzonder wil ik de geweldige 7’tjes Tessi, Jur, Jerom, Marcel, Pascale en Naomi bedanken, net als de allerleukste Stefanie en Stella. Ik weet niet wat Taalwetenschap had geweest zonder jullie, zelfs al was het maar zo kort.

Kort. Kort? Het klinkt alsof ik al weg ben. En dat ben ik nog niet, zoals sommigen verbaasd opmerkten toen ik afgelopen maandag gewoon vrolijk de collegezaal binnenliep. Ik ben niet van plan om stil te gaan zitten, en ik ben enorm gemotiveerd om het leren op te pakken. Volgend jaar wordt het Wijsbegeerte of Nederlands, en daar volg ik nu dan ook vakken van. Gewoon, om te kijken. En vrijstellingen te pikken. Ik ben immers in de bloei van mijn leven. Jong en naïef, maar leergierig en bereid om de wereld te gaan ontdekken. Alsof het niets is. En ik heb er zo vreselijk veel zin in.

Schrijfsels: Deceptie

‘Lieverd?’

Hij lacht naar me. Naast zijn mond verschijnen de meest perfecte imperfecties die een gezicht kunnen tonen. Het zijn rimpels die laten zien dat een leven in positiviteit heeft geweekt, iets te lang om nog terug te kunnen springen in originele gladde staat, een beetje als je vingers na een te lang genoten douche. Het siert hem. Alles siert hem. Het wilde, woelige haar wat alle kanten op springt, de beginnende baard die op geen enkele plaats even lang lijkt te zijn. Zelfs het feit dat hij een knoopje van zijn blouse vergeten is vast te doen wordt hem vergeven. Zo was hij, en zo zal hij ook altijd zijn. Je kunt niet niét van hem houden, heb ik op harde wijze ondervonden. Het was niet mijn bedoeling om nu nog naar hem te kunnen kijken. Het is zo lang geleden dat wij elkaar ontmoetten, immers, en ik heb hem al zo vaak in eeuwige tirades duidelijk gemaakt dat ik hem liever als sneeuw voor de zon zou zien verdwijnen. Maar onze relatie was te koud en ijzig om hem te laten smelten. Daarom zie ik hem vandaag nog steeds. Vandaag zie ik hem, zoals ik hem elke dag opnieuw zie. De vraag is alleen nog voor hoe lang. 

Wij deden graag alsof we alles van elkaar wisten, en alsof een luttele seconde oogcontact genoeg was om te weten waar de ander naar verlangde, maar niets is minder waar. Eigenlijk zijn de dingen die ik van hem weet op één hand te tellen. Het mooie was dat het niet zoveel uitmaakte. Onze relatie was niet zoals alle andere. Zo waren wij niet, en zo zullen wij ook nooit zijn. Hoe minder we van elkaar weten, hoe beter. Zo waren we immers al drie jaar voldoende gelukkig geweest. Maar met voldoende gelukkig zijn ga ik het niet redden.

Als je ziek bent en niemand weet het, maakt dat je niet minder ziek. Toch geloofde ik dat altijd. Zolang je emoties, gebeurtenissen en gedachtes diep wegstopt op een plek waar niemand komt, dan bestaan ze niet meer en hoef je je er ook geen zorgen meer om te maken. Wellicht één van de grootste decepties die mij tijdens mijn jeugd is aangepraat. ‘Denk maar aan leuke dingen, dan vergeet je alle zorgen’. Maar het is niet zo. Het werkte misschien vroeger nog, toen het enige waar ik mij druk om maakte was of ik wel het toetje met de meeste snoepjes had gekregen. Maar niet als je ziek bent. Je lichaam wordt vanbinnen nog steeds opgevreten door bacteriën, virussen of tumoren, hoe hard je ze ook weg wenst en kwijtscheldt. Dat verandert niet door woorden of gedeeld sentiment. Dood ga ik nog steeds. Snel, ook. En hij is de enige die dat nog niet weet. Nog niet. Over enkele seconden gaat een destructieve zin mijn mond verlaten en dan weet hij het wel. Zuurstofrijke lucht vult mijn longen, en net op het moment dat ik mijn stembanden wil laten trillen, loopt hij op me af en drukt zijn lippen zachtjes op de mijne.

Ik denk dat ik het morgen maar vertel.

(PS: Nog even voor de duidelijkheid: als ik dit soort “schrijfsels” schrijf, betekent dat dat het fictie is, jongens en meisjes. Ik heb geeneens een man aan wie ik het zou kunnen vertellen, dus maak je geen zorgen, je hebt niks gemist. Kusjes en knuffels.)

Het leven achter het jaaroverzicht

“Het was een geweldig jaar! Bedankt dat jij er onderdeel van bent geweest”.

Graag gedaan, Facebook vrienden. Ik heb het graag gedaan. Ik heb graag door jullie onnozele Facebook berichten gescrolld, ik heb graag jullie tijdlijnen gestalkt en ik vind het ook vreselijk fijn dat jullie mijn onnodige posts dit jaar weer massaal geliked hebben zodat ik niet voor lul stond en het stiekem offline moest halen. Ik vind het alleen enigszins merkwaardig dat ik moet geloven dat jullie jaar geweldig was, alleen op basis van je Facebook posts. Oke, ik geef toe, er zijn uitzonderingen op mijn regel, maar ik post alleen leuke dingen zodat jullie denken: ‘oh, die meid heeft best een leuk leven daar in Leiden’. Niet zozeer een waarheidsgetrouwe weerspiegeling van de werkelijkheid.

Geloof het of niet, mijn hoofd heeft in het dagelijks leven geen Instagram filter. Het kost me gemiddeld 15 selfies voordat ik een geschikte ‘casual’ profielfoto heb. Op een goede dag. Ik ben niet elke dag leuke dingen aan het doen met vrienden. Niet elke dag is leuk. Maar hé, daar vind ik Facebook ook geen geschikte plek voor. Social media is er om op te scheppen tegenover de wereld, om een artificieel beeld van jezelf te creëren voor deze maatschappij. Ik betrap mezelf er ook op, hoor, dat ik op sociale samenkomsten als eerste roep dat we een foto voor op Facebook moeten maken. En dan hopen dat die éne persoon het ziet. (En smelt, en voor me valt, en dat we dan verliefd worden en samen nog lang en gelukkig leven. Zei ik dit hardop? Ik zei dit hardop.)

Maar goed, terug naar het jaaroverzicht. 2014, jongens en meisjes. Het is bijna voorbij. Wat vonden we er van? Mijn 2014 kan ik maar moeilijk in woorden omschrijven. Het begon in pure chaos, een chaos waar ik eigenlijk maar liever niet meer over begin en die ik zodanig uit mijn geheugen heb willen griffen dat mijn eerste fijne herinnering aan 2014 pas begint in de zomer. Want hé, jongens: ik ben wel geslaagd dit jaar. Voor mijn VWO. Ik. Met zevens en zelfs een tien op mijn eindlijst. En wat ben ik de leukste mensen van de VAVO dankbaar voor dat geweldige jaar wat ik daar had. Zonder jullie had ik mijn zevende VWO-jaar waarschijnlijk vooral jankend doorgebracht.

Daarna kwam mijn vervolgstudie. Taalwetenschap. Leiden. En alles wat daarbij kwam kijken: een geweldige El-Cid week waar ik hele mooie herinneringen aan heb, geweldig leuke mensen leren kennen, hospiteren, verhuizen, op mezelf wonen, fantastische huisgenoten, koken, bier leren drinken, feesten, vrijheid.

Oh, zoveel vrijheid. En wat heb ik nu al genoten en gebruik gemaakt van die vrijheid. Gelukkig. Dat is dan ook wat ik ben. Toch kan elk jaar beter. Zo hoorde ik dit jaar ook dat mijn vader reuma heeft, het bij mijn moeder op haar werk een enorme chaotische bende is en deze week is mijn oudste kat overleden waar ik 15,5 jaar van mijn leven mee doorgebracht heb. Dat is het leven. Kut en mooi tegelijkertijd. Kun je niets aan doen, behalve er adequaat mee omgaan. En dat probeer ik te leren, en daar word ik langzamerhand beter in.

Ik hoop in 2015 nog zoveel dingen te leren. Over taal, over het leven, over mezelf en over anderen. Eén van mijn huisgenoten begon daar afgelopen week nog over, dat je het begrip ‘leren’ niet snapt als je het alleen voor de resultaten doet. Ik werk eraan, echt. Ik moet eerst op mijn bek gaan voordat ik dingen handiger aan leer pakken.

Dus 2015, beter word je verdomde prachtig. Nee wacht, laat me dat beter verwoorden. 2015, ik máák je verdomde prachtig. Dit is tevens een ode aan alle enorm leuke mensen die dit jaar bij me gebleven zijn of in mijn leven terecht zijn gekomen. Ik hoop dat jullie je allemaal aangesproken voelen, en oprecht, bedankt. Bedankt, dat jij er onderdeel van bent geweest.

FullSizeRender

Over beter worden

Door Stefanie. Omdat ze zo leuk is en zo fijn schrijft. En omdat ik zo blij ben dat ik Stefanie ken.

Met een vader die niet gelooft in ‘dat soort onzinnige rituelen’ en een moeder uit een compleet andere cultuur, kwam ik er in groep zes pas achter wat ‘goede voornemens’ zijn. Juf Marina (aardige vrouw, ik was iedere dag opnieuw weer doodsbang voor d’r) stelde op de eerste schooldag in het nieuwe kalenderjaar voor om een rondje door de klas te doen. Mocht iedereen zijn of haar goede voornemens vertellen. Bas zou zijn broertje minder treiteren en Evy zou haar vader vaker helpen met koken.

Goede voornemens had ik niet. Ik had net vijf minuten geleden geleerd dat er mensen zijn die een nieuw kalenderjaar zien als reden om dingen om te gooien. Vijf minuten om te bedenken wat ik, Stefanie (9), vond dat er beter kon in mijn leven. Ik vond alles wel prima en mijn vader noemde me iedere dag zijn wonderkind, dus nee, goede voornemens had ik niet. Ik was ook helemaal nog niet zo met zelfreflectie bezig. Ik was negen. En juf Marina boos op me.

Nu de laatste dagen van 2014 zijn aangebroken en ik overal eindejaarslijstjes langs zie komen (en misschien vooral mensen op Twitter die zeuren over de eindejaarslijstjes), denk ik weer terug aan juf Marina. Soms denk ik dat ze nog steeds met me meekijkt. Dat ze ieder jaar even zucht, om dat meisje dat geen goede voornemens had. Misschien mompelt ze dan zachtjes iets over arrogantie en nooit vooruit kunnen gaan zonder deze voornemens. Daarom, speciaal voor juf Marina, kijk ik terug op mijn jaar en denk ik na over wat ik na het vuurwerk beter wil doen.

2014 was een jaar waarin ik veel bereikte, maar me nutteloos voelde. Ik zat met mijn hoofd op andere plekken en kwam af en toe terug in het dagelijks leven om uit die plekken te ontsnappen. Ik denk dat ik minder pretentieus ben geworden, maar wellicht wel oppervlakkiger. Of ik dat erg vind weet ik nog niet. Waar ik altijd zo trots riep ‘mezelf iedere dag een beetje te willen verbeteren’, was ik het afgelopen jaar vooral bezig met niets doen en rondhangen, een beetje blijven drijven en een beetje blijven zweven. Punt één op mijn Lijst is dan ook: mezelf weer iedere dag een beetje proberen te verbeteren. Met gelijk punt twee er achteraan: punt één op een minder pretentieuze manier uitvoeren.

Beter. Iedere dag een beetje. Steeds minder pretentieus, steeds minder oppervlakkig, steeds minder ongeïnteresseerd. Steeds interessanter, steeds slimmer, steeds mooier. Grappig en gevat. Een schrijfster, een kunstenares, een linguïste, een studente, een vriendin wil ik zijn. Beter in motiveren (mezelf en anderen), beter in adviezen opvolgen, beter in afmaken waar ik aan begon. Beter. Beter dan gisteren, beter dan in groep zes, beter dan 2014.

Daarnaast zijn er nog de praktische zaken (meer sporten, een propedeuse halen, minder koffie drinken, meer koffiedrinken, minder vaak verdwaald raken, meer ronddwalen door onbekende steden, meer fotograferen, meer schrijven, meer dansen, meer tekenen, meer schilderen, meer lezen) en de doelen die niet per se 2015 als einddatum hebben (gelukkig en verliefd worden). Maar daar heeft juf Marina eigenlijk nooit iets over gezegd.

Schrijfsels: Alleen bij mij

Cupido heeft bij mij nog nooit volledig raak geschoten. Hij heeft vaak zat een poging gedaan hoor, daar zit het hem niet in, maar zijn mierzoete pijlen raken mij nooit op dat goede plekje, dat ene plekje vol in mijn inmiddels vertroebelende hart. Ook deze keer lijkt mijn ongewaardeerde vriend er naast te zitten. Ik kijk naar de grote, robuust gebouwde jongeman die schuin tegenover mij in de eetzaal zit. Zijn blonde haren zijn vanochtend met nét iets teveel wax behandeld, maar zijn perfecte kaaklijn, half-glimlachende mond en verlegen helderblauwe kijkers maken veel goed. „Geweldig Cupido”, mompel ik zachtjes, „schiet die pijl maar vol in mijn achillespees”.

Enigszins schuchter zit hij aan het eind van de tafel, terwijl hij van de zenuwen elke paar minuten zijn plastic vorkje in de eveneens naar plastic smakende aardappelpuree laat vallen. Hij probeert met alle moeite het buigzame plastic mesje in zijn stokbrood te zagen, maar elke keer breekt een stukje van het mes af. Joost is overduidelijk nieuw in de kliniek, en ik voel me verantwoordelijk om het ijs te breken. Ik stond echter ook niet vooraan toen ze conversatievaardigheden uitdeelden, en aan flirten deed ik al helemaal nooit. Ik ben het type flirter dat vanuit een hoekje zo lang en zo intens naar een man staart dat hij bijna wel moet komen, al is het maar om te vragen of het wel helemaal goed met me gaat.

Daarom bied ik hem maar mijn broodmes aan. Dat werkte bij mijn ex ook, al gaan we het maar niet hebben over hoe die relatie is afgelopen. Hij lacht en mijn hart slaat een slag over. „Ik denk niet dat ze hier willen dat ik een mes in mijn
handen krijg”, zegt hij grinnikend, maar mijn broodmes valt al klingelend op zijn bord. Hij grinnikt nog een keer, luider dit keer. Even zit hij zo. Dan kijkt hij mij recht in mijn ogen aan en lacht. „Laat me raden”, begint hij, „jij zit hier voor een eetstoornis?”. Zijn ogen dwalen af naar mijn bord, waar geen kruimeltje te bekennen is. Ik word rood. „Nee”, zeg ik, „Thanatofobie. Angst voor de dood”.
Een korte lach verlaat zijn mond. „Hebben we dat niet allemaal?”

Toen ik vijftien was, overleed mijn moeder. Mijn vader heb ik nooit gekend, de lul ging er vandoor toen ik 3 maanden oud was. Vreselijk vond ik dat, dat mijn vader er nooit voor mij was geweest. Ik wilde ook op school kunnen praten over een papa. Ik wilde ook stomme knutselwerkjes maken voor vaderdag, een grote stoere man hebben op wiens schouders ik kon zitten en een vervelende angsthaas die elke man waar ik mee thuis kwam angstvallig controleerde en keurde. Des te meer trok ik op met mijn moeder. Als ik weer eens huilend thuiskwam pakte ze me vast, aaide over mijn hoofd, en bleef zo
uren zitten, tot ik weer kalm was. „Je hoort bij mij liefje, alleen bij mij”, zei ze dan, „al die mensen doen er niet toe. Ik ben er voor je, altijd, onthoud je dat?”. Na haar dood was ik moedeloos, zielloos alleen en zag ik in alles de dood. Ik hallucineerde, was onhandelbaar en eindigde 3 jaar geleden hier, in de Sint Jacobus kliniek, waar ze mij behandelen. Echt helpen doet het me niet, maar ik zit hier in ieder geval veilig in quarantaine voor de samenleving. En het is de enige plek waar ik me begrepen voel, waar ik het gevoel krijg dat het nog erger kan. En is dat niet het enige wat ons door drama kan slepen?

Ik word uit mijn gedachten geschud door mijn liefde, die onaangekondigd naast me komt zitten. We kijken naar niets en we zeggen ook niets, want er valt niks te zien of te zeggen. Het is stil.
„Ik hoor stemmen”, begint hij uit het niets. Met een schuin oog kijk ik naar hem. Zijn mondhoek begint te trillen. „Soms neemt een van die stemmen het heft in eigen hand. De dokter zegt dat, tenminste. Ik geloof hem niet. Ik ben niet gek, echt niet. Jij ook
niet, trouwens. Ik snap niet dat ze zo’n mooie meid als jij hier zo lang op kunnen sluiten.” Zijn woorden geven mij hetzelfde gevoel als mijn moeder mij altijd gaf. Het geeft me rust. Ik kijk hem aan. „Dankje” fluister ik. Hij lacht. Ik smelt.

Dat is nu een maand geleden. Een maand lang hebben we daar elke dag gezeten, pratend; lachend, huilend, genietend. Een maand lang elke dag op hetzelfde bankje, naast elkaar. Hij vertelde me over zijn ouders, zijn trieste verleden en hoe iedereen hem in de steek liet. Waarom precies wilde hij niet zeggen, maar hij is zo prachtig, dat ik hem dat vergeef. Ik vertelde over mama en haar zinloze dood. Samen stonden we sterk. Samen konden we de wereld aan. Hij zou voor altijd bij mij horen, en ik voor altijd bij hem. Het was een belofte die ik nooit dacht te doen, en eentje die ik nooit zou willen verbreken.

Deze ochtend was hij anders. Nors. Er was iets met een slepende rechtzaak van lang geleden. Iets met een ex liefde. Iets met de dood. Iets met ‘niet zijn schuld’.  Ik wil hem vragen wat er was, maar ik hij geeft me geen ruimte om te spreken. Hij pakt mijn hand schijnbaar liefdevol vast en leidt me naar zijn kamer. Binnen duwt hij mij zachtjes tegen de muur en kijkt me lang en intens aan. Zijn hand streelt mijn haar en gaat in één soepele beweging naar mijn kin, die hij ietsjes steviger vastpakt. Hij kijkt me aan met zijn prachtig doordringende ogen. Ik verstijf. Het gevoel dat ik van binnen op voel bloeien probeer ik al jaren te omschrijven, maar het is te groots en te overweldigend om in simpele woorden uit te drukken. Sprakeloos, schijnen ze dat te noemen. Ik had er nooit last van, tot ik hem ontmoette. Zijn duim strijkt zachtjes over mijn huid.

“Je bent zo prachtig”, zucht hij, “zo prachtig heb ik nog nooit gezien”.
Hij lacht, ik smelt weer. Hij verstevigt zijn grip lichtjes en tilt mijn hoofd ietwat opzij, terwijl zijn lippen steeds dichterbij de mijne komen. Mijn hart bonst mijn keel uit. Hij is op enkele centimeters afstand als ik voel dat er iets verandert. Zijn ogen zijn vuriger en doordringender dan eerst, zijn grip gaat van liefdevol naar agressief. In een soepele beweging legt hij het vlijmscherpe broodmes van de eetzaal tegen mijn keel. Als een psychopaat begint hij te tieren. “Je bent te mooi meisje….Te mooi…. ,” mompelt hij, terwijl hij met het uiteinde van het mes over mijn huid glijdt. “Wat moet ik
met een prachtig meisje als jij? Mannen verslinden je met hun ogen… Ik kan je zo niet achterlaten. Zij was ook te mooi. Veel te mooi. Daarom moest ze weg. Nu jij ook”. Zijn woorden dringen nauwelijks tot me door, ik kan me alleen concentreren op het gevoel van het mes wat steeds dieper mijn huid in kruipt. “W… we… weg?” stamel ik uit. Met alle macht schop ik om me heen, maar ik kan niet tegen zijn kracht op. Ik wil gillen, maar hij drukt zijn hand stevig tegen mijn mond aan en propt in één beweging een stoffige doek in mijn keel. Ik wil het ophoesten, maar hij drukt mijn luchtwegen dicht.
Hij lacht, maar dit keer smelt ik niet. “Naïef liefje van me, naïef liefje” herhaalt hij keer op keer, terwijl hij lijkt te genieten van de doodsangst die ik uitsla. Maar dit is niet de jongen met wie ik lief en leed gedeeld heb. Dit is iemand anders. Met de seconde wordt de pijn van het mes ondraaglijker. Is dit het dan? Is dit het moment waar ik al die jaren zo bang voor was? Heb ik al die jaren geleden om zo aan mijn einde te moeten komen? Laat de man die mijn hart liefdevol lijmde, polijstte en oppoetste nu in een vlaag van verstandsverbijstering mijn hart voor eeuwig stoppen?
“Luister liefje, ik moet weg, voorgoed, voor ze je vinden. Wees niet bang liefje, ik blijf altijd aan je denken. Je bent voor altijd bij mij, weet je nog? Voor altijd. Daar ga ik voor zorgen. Iedereen moet weten dat je bij mij hoort, en nooit bij een ander. Je mag nooit bij een ander horen, weet je nog? Je zei het, ‘voor altijd samen’. Altijd”.
Zijn stem slaat over en ik voel het mes door mijn huidlagen snijden. Ik schreeuw het uit en het laatste wat ik zie zijn prachtig doordringende, maar nu duivels kijkende ogen.

Ik kom eraan, mama. Het laatste wat hij zegt neem ik met me mee.

“Je hoort bij mij liefje. Alleen bij mij”